
Toen Antwerpen rond 970 een grensplaats werd van het Duitse Rijk, bouwde men een houten versterking. Die werd later vervangen door een stenen burcht (het Steen) met een omheiningsmuur en Antwerpen mocht zich markgraafschap (grensgraafschap) van het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie noemen. De Schelde was de grens en aan de overkant lag het graafschap Vlaanderen. Aan de zuidzijde van Antwerpen richtte de Heilige Norbertus in de twaalfde eeuw de Sint-Michielsabdij op. De kanunniken van het kerkje dat daar had gestaan, verhuisden toen naar de noordelijke kern en stichtten daar een nieuwe parochie, met als centrum een Onze-Lieve-Vrouwekerk, de eerste voorloper van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. De stad, die vanaf dan deel uitmaakte van het hertogdom Brabant, bleef zich concentrisch uitbreiden met opeenvolgende omwallingen die nog steeds herkenbaar zijn in het stratenpatroon.
Een eerste economische bloeiperiode volgde in de eerste helft van de veertiende eeuw. Toen werd Antwerpen het belangrijkste handelscentrum en financiële hart van West-Europa, vooral bekend voor haar zeehaven en wolmarkt. In 1356 werd de stad aangehecht bij het graafschap Vlaanderen en verloor ze heel wat privileges, onder meer ten voordele van Brugge.
Maar vijftig jaar later keerde het politieke en economische tij weer en begon de aanloop naar de ‘Gouden Eeuw’, waarin Antwerpen op elk vlak een wereldstad werd; zowat het New York van de zestiende eeuw. In 1531 bouwt Dominicus de Waghemakere de allereerste Handelsbeurs, ‘de Moeder van alle beurzen’, die onder meer model stond voor de beurzen van Amsterdam, Londen en Rijsel (Lille). De Florentijn Lodovico Guicciardini omschreef dit handels- en cultuurcentrum als ‘de mooiste stad ter wereld’. De beroemdste inwoners uit die tijd zijn: de schilders Quinten Metsys en Bruegel, de drukker Plantin, de humanisten en wetenschapslui Lipsius, Mercator, Dodoens en Ortelius. De spotnaam ‘sinjoren’, die de Antwerpenaars met trots dragen, stamt uit deze Gouden Eeuw. In de ogen van al dan niet afgunstige bezoekers leidden vele inwoners toen een waar herenleven: hoofs en zelfbewust, als ‘sinjeurs’ (naar het Spaanse señor).
In de tweede helft van deze eeuw lag de stad echter in het brandpunt van de politiek-godsdienstige strijd tussen het protestantse Noorden en het katholieke Spanje, met als dieptepunten de Beeldenstorm (1566), de Spaanse Furie (1576) en uiteindelijk de Val van Antwerpen (1585).
Na de Val kwam de stad weer onder het gezag van Filips II en sloten de Noordelijke Nederlanden de Schelde af. Economisch gezien was dit een ramp. Bovendien ontvluchtten niet alleen de protestanten, maar ook de commerciële en intellectuele elite de stad. Van de 100 000 inwoners in 1570 bleven er in 1590 zowat 40.000 over. Toch duurde de culturele bloei nog tot halfweg de zeventiende eeuw, met schilders als Rubens, Van Dyck, Jordaens en Teniers, de beeldhouwerfamilies Quellin en Verbrugghen, drukkers als Moretus en de beroemde Antwerpse klavecimbelbouwers.
Vanaf 1650 tot in de negentiende eeuw valt er nog weinig vrolijks over Antwerpen te melden. De Schelde bleef dicht en de metropool werd een provinciestad. Onder het Oostenrijkse bewind (1715–1792) probeerde Jozef II de stroom manu militari vrij te maken, maar dit mislukte. In 1795, onder Franse bezetting, lukte het wel, maar ditmaal stuitten de schepen op een Engelse blokkade. Geen wonder, want Napoleon beschouwde de Antwerpse haven als ‘een pistool gericht op het hart van Engeland’. Aan de Franse periode (1792–1815) dankte Antwerpen wel de aanzet tot een moderne haven, maar tegelijk viel het culturele patrimonium ten prooi aan een zelden geziene kunstroof en vernieling. Er werden zelfs plannen gemaakt om de kathedraal te slopen.
Na de val van Napoleon in Waterloo (1815) volgde een kortstondige hereniging met de Noordelijke Nederlanden en een even korte bloei, die eindigde met de Belgische revolutie (1830) en opnieuw de sluiting van de Schelde. Een definitieve vrije doorvaart kwam er pas in 1863. Toen kon de derde grote bloeiperiode van Antwerpen beginnen.
Afgezien van onderbrekingen tijdens de twee wereldoorlogen
beleefde
Antwerpen in de twintigste eeuw een gestage economische groei. In
1920
organiseert Antwerpen de Olympische Zomerspelen. Voor het eerst werd de
Olympische vlag gehesen, worden duiven losgelaten als
symbool voor de
vrede en werd de Olympische eed afgelegd door een atleet. Op
cultureel
vlak kreeg de stad in 1993 internationale uitstraling toen ze Culturele
Hoofdstad van Europa werd: meteen de erkenning van haar historische en
hedendaagse rijkdom waarvan ook u kan genieten.
